Moet je queer personages altijd voorbeeldig portretteren, vraagt deze queer schrijver zich af

 

In films of tv-series heeft de slechterik vaak homoseksuele trekjes. Disneyfilms grossieren in dat soort schurken, die misschien niet expliciet queer zijn, maar wel zo gelezen kunnen worden, omdat ze camp zijn en ambigu in hun genderexpressie: denk aan de ‘verwijfde’ Jafar of ‘kenaus’ Ursula en Cruella de Vil. Maar ook een ogenschijnlijk progressieve tv-serie als Downton Abbey heeft een queer schurk, Thomas Barrow, een ongelooflijke pestkop die pas sympathieker wordt wanneer de kijker wordt ingewijd in zijn verboden homoseksuele gevoelens.

De schrijver Carmen Maria Machado, zelf queer, zou woest moeten worden om de stereotiepe representatie van queers als moreel ontaard, maar is juist dol op dit soort personages, bekent ze in haar persoonlijke essay In het Droomhuis. Vaak zijn ze de interessantste personages op het scherm. ‘Tenslotte leven zij in een wereld die hen haat. Ze hebben zich aangepast; ze hebben geleerd zich te verstoppen. Ze hebben overleefd.’ Haar voorliefde geeft ze enigszins schoorvoetend toe, want: ‘Het vertelt maar één verhaal, […] en creëert associaties van kwaad en verdorvenheid die doorklinken in het echte leven.’ Wanneer homoseksualiteit in de beeldvorming gelijkstaat aan slechtheid, werkt dat homofobie in de hand.

Maar, vraagt ze zich af, ligt er op elke maker dan eigenlijk een verantwoordelijkheid van positieve representatie? Moet zij queer personages altijd puur en voorbeeldig portretteren, in de strijd om erkenning? Heeft zij wel het recht om haar eigen, verre van sprookjesachtige verhaal te vertellen?

Mishandelende vrouw

Het is deze hardnekkige kwestie die de rode draad vormt van In het Droomhuis, waarin de Amerikaanse haar relatie met een mishandelende vrouw onderzoekt. Ze wil schrijven over het langdurige misbruik, het patroon van geweld, de subtiele mechanismen die maken dat het geweld onder je huid gaat zitten en je er haast ongemerkt aan ten prooi kunt vallen. Er is echter bijna niets geschreven over giftige relaties en misbruik onder vrouwen. ‘Archiefstilte’ noemt Machado dat, in navolging van postkoloniaal denker Saidiya Hartman: in de literatuur en beeldcultuur zijn er bijna geen voorbeelden van lesbisch huiselijk geweld te vinden. Enerzijds geeft dat In het Droomhuis haar bestaansrecht; ze voegt met haar boek iets toe aan het archief. Maar: draagt ze dan niet bij aan een slecht beeld van lesbische relaties? 

De oplossing van dit probleem dient zich aan in de structuur van het boek. In het Droomhuisis geschreven als een verzameling korte hoofdstukken, die het droomhuis uit de titel, de plaats in haar herinnering waar de relatie zich afspeelt, steeds vanuit een andere invalshoek benaderen. Vanuit verschillende genres bijvoorbeeld (als ‘noir’, ‘lesbische cultklassieker’ of ‘schelmenroman’), of vanuit motieven en tropen uit bestaande literatuur. De stukjes hebben titels als ‘Droomhuis als lesbische pulproman’, ‘Droomhuis als oefening in perspectief’, of, de passage waar deze recensie mee begint, ‘Droomhuis als queer schurkendom’. 

Het schrijven over deze pijnlijke episode uit haar leven is zo tot een schrijfoefening geworden, en dat blijkt een bevrijding. Machado was altijd al dol op genrefictie, bleek uit haar sterke verhalenbundel Her Body and Other Parties, waarin feministische horror, rechtbankseries en sprookjes de blauwdrukken vormden voor haar unieke literaire universum. Nu bieden de gekende, veilige vormen van genres de afstand die ze nodig heeft om in haar pijn te kunnen graven. Met elk hoofdstuk kan ze opnieuw beginnen, een nieuwe poging wagen; nooit hoeft er iets definitiefs gezegd te worden. Ze hoeft niet hét definitieve verhaal over een lesbische relatie te vertellen. Ze ontsnapt met deze structuur aan de dwang om de relatie in de mal te gieten van een klassiek verhaal, draaiend rond een centraal conflict, dat de hoofdpersoon in staat stelt zich te ontwikkelen. Die standaardvorm zou van haar herinneringen, gefragmenteerd en deels vergeten of onderdrukt, iets herkenbaars moeten maken. En dat is iets waartegen Machado zich verzet – omdat het nooit het echte verhaal is en omdat haar ervaring daarmee tot behapbaar consumptieartikel wordt. Nu kan ze haar verhaal van alle kanten laten zien, verschillende verklaringen geven voor wat er gebeurd is, haar eigen ervaring langs die van anderen leggen. En misschien is dat klassieke heldenverhaal überhaupt niet geschikt om de queer ervaring te beschrijven, die altijd in de marges van de cultuur is gedrukt. 

Wild verliefd 

De versnipperde vorm is bovenal een treffende uitdrukking van trauma, dat, zo leren psychologische handboeken, het subject ervan weerhoudt zichzelf als eenheid te ervaren. Om die reden schrijft Machado over zichzelf in de tweede persoon enkelvoud: ‘Je was niet altijd alleen een Jij. Ik was een geheel – een symbiotische relatie tussen mijn beste en slechtste delen – en toen werd ik, in één betekenis van het woord, gespleten: een keurige houw waardoor de eerste persoon […] werd losgemaakt van de tweede, die altijd gespannen was en trilde als een te klein hondenras.’

De facto gebeurt er dit. Machado, een onzekere twintiger, studeert aan de prestigieuze masteropleiding voor creatief schrijven in Iowa, wanneer ze de vrouw in het droomhuis ontmoet (ze krijgt geen naam). Ze vallen meteen voor elkaar, ook al heeft de vrouw nog een vriendin, Val. Na enkele maanden verlaat de vrouw Val en begint ze een relatie met Machado. Aanvankelijk zijn de twee wild verliefd; Machado, die problemen heeft om haar lichaam te accepteren, heeft zich nog nooit zo begeerd en geliefd gevoeld. Maar wanneer de vrouw naar een andere staat verhuist, verandert de toon. Tijdens een bezoek aan haar ouders wordt ze ineens kil, knijpt in Machado’s arm in gezelschap van de ouders, sist in haar oor dat ze haar haat. De vrouw is extreem jaloers, heerszuchtig. Steeds vaker vernedert en kleineert ze haar geliefde. Het geweld is nooit overduidelijk fysiek, het blijft bij knijpen of spullen kapot gooien, maar het verbale en emotionele geweld is net zo onthutsend en wreed. Ondanks de wekelijkse huilbuien en de hartkloppingen steeds wanneer de telefoon gaat, kan Machado niet bij haar weg. Ze is verslaafd, gevangen als een rat in de val. Het eindigt uiteindelijk wanneer de vrouw een nieuw slachtoffer vindt. En in een bizarre turn of events worden Machado en Val, de ex van de vrouw, verliefd. Tegenwoordig zijn ze getrouwd. 

Eenzaam in haar verdriet, zoekend naar herkenning, wisselt Machado autobiografische passages af met onderzoek naar die spaarzame eerdere verbeeldingen en beschrijvingen van lesbisch huiselijk geweld, in de literatuur en nieuwsberichten. Dat onderzoek is verhelderend, maar het geeft het boek als geheel ook een wat pedagogisch karakter. Vooral naar het einde toe bekruipt me het gevoel dat Machado haar bedoelingen wel erg vaak herhaalt en te expliciet maakt. Op pagina 281 beschrijft ze haar paniekerige gevoel toen een van de eerste lesbische stellen die in Amerika mochten trouwen uit elkaar ging. ‘Ik herinner me dat ik bang was, alsof echtscheidingen niet overal aan de orde van de dag waren, alsof ze niet volstrekt onbelangrijk waren. Maar dat is de angst van de minderheid hè? Dat als je niet voorzichtig bent, iemand jou – of mensen die je identiteit delen – zal zien terwijl je iets menselijks doet, en dat tegen je zal gebruiken. De ironie is natuurlijk dat queer mensen die goede pr nódig hebben; om te strijden voor de rechten die we niet hebben, om de rechten te behouden die we wel hebben. Maar proberen we al niet de hele tijd te zeggen dat we net zo zijn als jullie?’ Inderdaad, al 281 pagina’s lang. 

De vertaling is soms ook behoorlijk stijf. Door de klungelige, formele vertaling van ‘memoir’ als ‘autobiografische verhandeling’, lijkt het bijna alsof we het werk van een scholasticus lezen. Machado schrijft dan ook niet voor een publiek van gelijkgestemden, maar richt zich expliciet tot de normatief ingestelde, heteroseksuele lezer, die overtuigd moet worden dat huiselijk geweld ook onder marginale bevolkingsgroepen huist. Ik vind de didactische toon het minst geslaagd aan het boek. Het boek is sterk genoeg als persoonlijk testament, het hoeft ons niet in te wrijven dat het een onderbelicht perspectief vertolkt – dat besef is er al zonder de expliciete uiteenzetting. 

Aan de andere kant, misschien is het juist het projectmatige, politieke aspect dat fungeert als veiligheidsnet voor de schrijver. Het geeft haar een doel, het objectiveert het trauma. Machado probeert het misbruik van haar ex niet te begrijpen of te verklaren. Ze onderzoekt evenmin het parcours van haar eigen traumaverwerking. Haar ervaring blijft een fenomeen dat met enige afstand historisch en cultureel ingekaderd moet worden. 

Giftige patronen

Het boek roept de vraag op of queer misbruik in wezen verschilt van het heteroseksuele. De recente roman Detransitie, baby van Torrey Peters suggereerde dat trans vrouwen, bij gebrek aan intergenerationele zorg, geneigd zijn hun trauma’s op de eigen gemeenschap te richten; dat zij het geweld waaraan zij in deze wereld vaak ten prooi zijn doorgeven aan elkaar. De queer gemeenschap in brede zin is kwetsbaar, bevolkt door beschadigde mensen, en onderling geweld is daarom geen uitzondering. Het verschil met het ‘standaardgezin’ is dat het taboe om erover te praten groter is. Maar de giftige patronen die Machado beschrijft, of hoe het voelt om verliefd te zijn op iemand die je pijn doet – die lijken mij universeel. En dat is dan ook het antwoord op de vraag of Machado het recht heeft een boekje open te doen over haar ‘queer slechterik’ van een ex: dat heeft ze, omdat ‘we net zo zijn als jullie’. Er is geen speciaal verband tussen homoseksualiteit en morele ontaardheid. Een simpel antwoord, dat om een complex literair bouwwerk vraagt om te worden opgebouwd – dat is de paradox waarop Machado balanceert.

In het Droomhuis is echter niet alleen taboedoorbrekend, maar ook een literaire prestatie. Machado heeft een nieuwe, spannende vorm gevonden. Ook al lijkt het boek een stijloefening, ze schrijft toch indringend, bij vlagen zelfs huiveringwekkend. Machado dringt diep door in haar pijn. ‘Als je verhalen altijd op dezelfde manier vertelt ga je voorbij aan de essentie van verhalen’, leert ze haar studenten, schrijft ze in fondsaanvragen. En denkt ondertussen: ‘Je kunt jezelf er niet toe brengen om te zeggen wat je echt denkt: ik heb de verhalen in stukken gebroken omdat ik zelf stukging en niet wist wat ik anders moest.’

nrc

Tags: Literatuur

Comments powered by CComment

Mastodon

SJ Xmas